Stilzitten octrooihouder staat aan spoedeisend belang in de weg
Deze bijdrage over het spoedeisend belang in een kort geding bij een voortdurende inbreuk op een octrooi verscheen op 9 maart op de website van De Jurist.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft op 18 februari 2021 de verbodsvorderingen van Amgen Inc. tegen Accord Healthcare afgewezen wegens een gebrek aan spoedeisend belang. Amgen vorderde in kort geding een inbreukverbod voor haar octrooi voor een farmaceutische formulering van cinacalcet HCL, de werkzame stof in een geneesmiddel voor patiënten met een te hoog gehalte aan calcium in het bloed.
Het vonnis bevestigt maar weer eens dat aan het vereiste van spoedeisend belang in kort geding – anders dan in praktijk soms ten onrechte wordt aangenomen – niet altijd wordt voldaan wanneer sprake is van een voortdurende inbreuk op een octrooi of ander recht van intellectuele eigendom. Hoewel als uitgangspunt heeft te gelden dat het spoedeisend belang in beginsel is gegeven zolang de gestelde inbreuk of het gestelde onrechtmatig handelen voortduurt, dient de vraag of de eisende partij daadwerkelijk een voldoende spoedeisend belang heeft nog altijd te worden beantwoord aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, naar de toestand ten tijde van de uitspraak.
Eerdere kortgedinguitspraken illustreerden dat bijvoorbeeld de gevolgen van toe- of afwijzing van de vorderingen voor partijen, of de complexiteit van de zaak factoren zijn die een rol kunnen spelen bij de belangenafweging die in het kader van het spoedeisend belang dient te worden gemaakt. Een ander typisch voorbeeld is het handelen van partijen, waaronder het voortvarend optreden door de eisende partij. Van dat laatste – of eigenlijk het ontbreken ervan – is de procedure tussen Amgen en Accord een voorbeeld.
Talmen
Accord heeft zich met succes tegen de vorderingen van Amgen verweerd met de stelling dat Amgen door te talmen geen spoedeisend belang (meer) bij haar vorderingen heeft. De voorzieningenrechter constateert dat Amgen met het sommeren van Accord, alsmede met het vergaren en analyseren van het inbreukbewijs inderdaad onvoldoende voortvarend is opgetreden. Zelfs nadat Amgen het gestelde inbreukbewijs in handen had, heeft zij pas tien maanden later de kortgedingprocedure geëntameerd.
De reden voor Amgen om te wachten met de kortgedingprocedure was volgens haar gelegen in processtrategische keuzes: na een voor Amgen negatief vonnis in Nederland ten aanzien van een ander octrooi, koos Amgen ervoor eerst in Duitsland te procederen. Dat staat haar weliswaar vrij, maar de gevolgen van die keuze komen - niet geheel onverwachts - voor haar eigen rekening en risico.
Gelet op alle omstandigheden, waaronder ook de geruime tijd dat Accord inmiddels met haar producten op de markt is, kan niet worden ingezien dat Amgen de uitkomst van een VRO-bodemprocedure niet meer zou kunnen afwachten. De voorzieningenrechter oordeelt derhalve in haar nadeel en wijst de gevraagde verbodsvorderingen af.



