In hoeverre kwalificeren (geopolitieke) ontwikkelingen zoals de oorlog in de Oekraïne, de torenhoge inflatie, de energiecrisis en de wereldwijde prijsstijgingen als onvoorziene omstandigheden op basis waarvan partijen hun contract open kunnen breken?
Het jaar 2022 wordt gekenmerkt door het uitbreken van de oorlog in Oekraïne op 24 februari 2022, de torenhoge inflatie, de energiecrisis en wereldwijde prijsstijgingen. De gestegen (energie)prijzen als gevolg van deze (geopolitieke) ontwikkelingen zorgen voor de nodige spanningen tussen commerciële partijen, bijvoorbeeld als er al vaste prijsafspraken zijn gemaakt die een partij niet meer na kan komen als gevolg van de explosieve prijsstijgingen. In hoeverre kunnen partijen dan nog onder die gemaakte afspraken uit komen door een beroep te doen op onvoorziene omstandigheden?
Uitgangspunt is dat gemaakte afspraken bindend zijn
Het Nederlandse contractenrecht gaat uit van pacta sunt servanda (overeenkomsten zijn bindend). Dit houdt in dat een overeenkomst in beginsel bindend is en moet worden nagekomen. De achterliggende gedachte is dat partijen moeten kunnen vertrouwen op de gemaakte afspraken in hun overeenkomst zodat daarmee de rechtszekerheid wordt gediend.
Echter, indien gedurende de loop van het contract zich gewijzigde omstandigheden voordoen, voorziet de Nederlandse wet in de mogelijkheid om een reeds gesloten contract aan te passen. Dat kan onder andere door het doen van een beroep op het leerstuk van onvoorziene omstandigheden (art. 6:258 BW), waarbij het moet gaan om omstandigheden die op het moment van het sluiten van de overeenkomst nog in de toekomst lagen.
De lat voor het doen van een succesvol beroep op onvoorziene omstandigheden ligt naar Nederlands recht hoog. Er dient dan sprake te zijn van gewijzigde omstandigheden waarvoor partijen in hun contract géén voorziening hebben getroffen en die van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. De Hoge Raad1 heeft in 1998 al geoordeeld dat rechters terughoudend moeten zijn bij het honoreren van een beroep op onvoorziene omstandigheden.
Onvoorziene omstandigheden en de kredietcrisis
Zo werd bijvoorbeeld de kredietcrisis in 2008 niet2 aangemerkt als een onvoorziene omstandigheid. Partijen konden met een beroep op onvoorziene omstandigheden dan ook niet onder hun contractuele afspraken uit komen. De redenering destijds was (kort gezegd) dat een kredietrisico nu eenmaal tot het ondernemersrisico behoort. Ook ten aanzien van excessieve prijsstijgingen, die zich niet alleen nu voordoen maar die zich in het verleden ook al vaker hebben voorgedaan, is doorgaans geoordeeld dat dat géén succesvol beroep op het leerstuk van onvoorziene omstandigheden rechtvaardigt. De Rechtbank 's-Hertogenbosch3 oordeelde in 2009 bijvoorbeeld dat een stijging van 400% van de prijzen van elektriciteit, hoewel partijen een dergelijke stijging bij de totstandkoming van de overeenkomst niet voor ogen hadden en de stijging in dat opzicht als onvoorzien kon worden aangemerkt, tot het ondernemersrisico behoorde. In vergelijkbare zin oordeelde de Rechtbank Den Haag4 dat het een feit van algemene bekendheid is dat prijzen op de grondstoffenmarkt hevig kunnen fluctueren en het Hof 's-Hertogenbosch5 dat de energiemarkt naar haar aard onvoorspelbaar is.
Onvoorziene omstandigheden en de coronacrisis
Gelet op die hoge drempel is in de afgelopen decennia slechts sporadisch een beroep op onvoorziene omstandigheden gedaan, laat staan gehonoreerd. Met de komst van de coronacrisis werd dit anders. Ten aanzien daarvan hebben rechters vrij snel geoordeeld dat de coronacrisis als een onvoorziene omstandigheid kon worden aangemerkt nu de wereld nog nooit eerder te kampen heeft gehad met een pandemie van deze orde waarbij de economie zodanig werd beïnvloed. In het bijzonder konden huurders die door de overheidsmaatregelen hun winkels niet konden openen, ondanks dat ze contractueel een vaste huurprijs hadden afgesproken, door een beroep te doen op onvoorziene omstandigheden aanspraak maken op bijvoorbeeld huurprijsvermindering. Inmiddels is ook door de Hoge Raad6 bevestigd dat de door de overheid opgelegde maatregelen als gevolg van de coronacrisis als onvoorziene omstandigheid gelden (althans als het gaat om contracten die gesloten zijn vóór de eerste lockdown in Nederland midden maart 2020).
Recente uitspraken inzake onvoorziene omstandigheden en de huidige (geopolitieke) ontwikkelingen zoals de oorlog in Oekraïne, de torenhoge inflatie, de energiecrisis en de wereldwijde prijsstijgingen
Met de prijsstijgingen van de afgelopen tijd, waaronder die op de energiemarkt, doet de vraag zich voor in hoeverre de huidige prijsstijgingen óók als onvoorziene omstandigheden kunnen worden aangemerkt zodat partijen (deels) onder reeds gesloten contracten uit kunnen komen en/of een (prijs)aanpassing kunnen afdwingen.
Inmiddels (eind 2022) zijn er een handjevol uitspraken in dit kader gewezen.
- Uitspraak Rechtbank Noord-Holland van 16 december 20227
Zeer recent heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Holland zich over de huidige (geopolitieke) ontwikkelingen moeten buigen. Het betrof een kortgeding waarbij de Meeuw c.s. in december 2018 een raamovereenkomst met de gemeente Purmerend had gesloten en zich vervolgens in de loop van 2022 op het standpunt stelde dat zij de overeenkomst niet langer kon uitvoeren omdat de marktomstandigheden sinds het begin van de oorlog in Oekraïne drastisch zijn veranderd.
De voorzieningenrechter oordeelde dat "met de gevolgen van de Covid-pandemie en de oorlog in Oekraïne op de wereldhandel ontegenzeggelijk sprake is van onvoorziene omstandigheden, met name op het gebied van de wereldwijd explosief gestegen kosten voor (onder meer bouw)materialen en energie"8 Volgens de voorzieningenrechter is het zeer aannemelijk dat in een eventuele bodemprocedure tussen partijen zal worden geoordeeld dat een ongewijzigde instandhouding van de raamovereenkomst niet door de gemeente mag worden verwacht. De voorzieningenrechter heeft om die reden - totdat eventueel in de bodemzaak anders wordt geoordeeld - een ordemaatregel opgelegd waarbij de excessieve kostenstijging gelijkmatig over de partijen moest worden verdeeld.
- Uitspraak Rechtbank Rotterdam van 13 oktober 20229
Ook de voorzieningenrechter te Rotterdam heeft op 13 oktober 2022 de explosief gestegen gasprijzen, voorshands, als onvoorziene omstandigheid aangemerkt. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat de gasprijzen in een jaar tijd ruim vertienvoudigd zijn en dat voldoende onderbouwd is dat de oorzaak van deze extreme stijging is gelegen in de Europese energiecrisis, die mede is ontstaan door de oorlog in Oekraïne. Tevens is, volgens de voorzieningenrechter, voldoende aangetoond dat levering onder dezelfde voorwaarden niet mogelijk zou zijn zonder het lijden van zware verliezen.
- Uitspraak van de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen van 25 augustus 202210
Op 25 augustus 2022 heeft de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen kort gezegd geoordeeld dat de oorlog in de Oekraïne te gelden heeft als onvoorziene omstandigheid. De aannemer werd als gevolg van de oorlog in de Oekraïne geconfronteerd met prijsstijgingen en kon met een beroep op het leerstuk van onvoorziene omstandigheden aanpassing van de aannemingsovereenkomst vorderen. De arbiters overwegen dat door de voortdurende oorlog in Oekraïne de prijzen van tal van producten zijn gestegen waarbij de situatie op de toch al overspannen bouwmarkt met stijgende bouwkosten en (dreigende) personeelstekorten alleen maar nijpender is geworden.
De reden dat de aannemer een beroep heeft gedaan op de wettelijke regeling van onvoorziene omstandigheden (art. 6:258 BW) in plaats van op de regeling van kostenverhogende omstandigheden (van art. 7:753 BW respectievelijk par. 47 van de UAV 2012) waarvoor een lagere drempel geldt, is omdat de regeling van kostenverhogende omstandigheden van regelend recht is en de toepassing daarvan in het contract door de opdrachtgever was uitgesloten. De wettelijke regeling van onvoorziene omstandigheden is echter van dwingend recht, zodat deze niet door partijen contractueel uitgesloten kan worden.
- Uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 30 november 202111
Eind 2021 is in een kortgeding tussen Plukon Food Group B.V. tegen Nippon Gases Netherlands B.V. en Nippon Gases CO2 B.V. eveneens voorshands een beroep op het leerstuk van onvoorziene omstandigheden toegewezen. Hierin werden de volgende gewijzigde omstandigheden aangedragen: de coronapandemie, de weinige gasvoorraden in Europa, de maatregelen om klimaatverandering tegen te gaan, het gebrek aan energie door wind en waterkracht, verminderd gebruik van kolen en het niet kunnen voldoen aan de vraag naar gas door gasleveranciers als Rusland. Ook hier oordeelde de voorzieningenrechter dat, gelet op die gewijzigde omstandigheden, een ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet kan worden verwacht. Volgens de voorzieningenrechter is genoegzaam gebleken dat de prijsstijgingen van de afgelopen maanden extreme vormen hebben aangenomen en dat de energiemarkt is "geëxplodeerd". Tevens is, volgens de voorzieningenrechter, voldoende aangetoond dat door de geëxplodeerde energieprijzen alleen nog maar verlieslatend geleverd kon worden, hetgeen het verdisconteerde prijsrisico van partijen volgens de voorzieningenrechter te boven gaat.
Conclusie
Deze recente uitspraken, die vooralsnog allemaal afkomstig zijn van lagere rechters, doen stof opwaaien omdat in het afgelopen jaar al een aantal keer een beroep op onvoorziene omstandigheden is toegekend terwijl dat voorheen slechts zeer sporadisch gebeurde. Zoals gezegd was vóór de coronacrisis, op een enkele uitzondering na, de algemene tendens dat de kredietcrisis en prijsstijgingen tot het ondernemersrisico behoren en géén beroep op onvoorziene omstandigheden rechtvaardigen. De vraag is dan ook, mede gelet op het feit dat de Hoge Raad al heeft uitgemaakt dat terughoudend dient te worden omgegaan met het honoreren van een beroep op onvoorziene omstandigheden, of deze uitspraken van de lagere rechters ook in hogere instanties stand zullen houden. Een beroep op onvoorziene omstandigheden is - althans volgens de huidige leer - immers slechts weggelegd voor die gevallen waarin er sprake is van zeer extreme gewijzigde omstandigheden (zoals de Hoge Raad heeft uitgemaakt ten aanzien van de coronacrisis) waar partijen geen rekening mee hadden kunnen houden en die het ondernemersrisico overstijgen.
Voor nieuwe contracten geldt dat de huidige (geopolitieke) ontwikkelingen inmiddels een feit van algemene bekendheid zijn. Ten aanzien van nieuwe contracten zal om die reden nog minder snel een beroep op onvoorziene omstandigheden gehonoreerd worden nu deze ontwikkelingen niet langer "onvoorzien" zijn bij het aangaan van het contract. Partijen doen er dan ook verstandig aan om bij het aangaan van nieuwe contracten concrete afspraken te maken over wie welk risico draagt, met name als in het contract vaste prijzen en/of bindende levertijden worden afgesproken. Indien partijen daarover zwijgen, wordt het risico geacht te zijn verdisconteerd in het contract.
1 HR 20 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2587 (Briljant Schreuders/ABP)
2 Zie bijvoorbeeld Rb. 5 oktober 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BT7320, Rb. Amsterdam 24 april 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:CA2158 en Rb. Overijssel 14 januari 2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:534).
3 Rb. 's-Hertogenbosch 28 oktober 2009, ECLI:NL:RBSHE:2009:BK3241
4 Rb. Den Haag 24 augustus 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BT2510
5 Hof 's-Hertogenbosch 29 november 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BU6524
6 HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1974
7 Rb. Noord-Holland 16 december 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:11110
8 Rb. Noord-Holland 16 december 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:11110 r.o. 4.13
9 Vzr. Rb. Rotterdam 13 oktober 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:8502
10 Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen (25 augustus 2022, nr. 37.382)
11 Vzr. Rb. Rotterdam 30 november 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:13392








